De 5 fasen van de bevalling

1. Latente fase

Tijdens het grootste deel van uw zwangerschap is de baarmoederhals (cervix) ongeveer 3 cm lang. Tevens is de baarmoedermond aan het begin van de bevalling meestal gesloten. Het kan echter zijn dat u tijdens de laatste weken van de zwangerschap al wat ontsluiting heeft. Dit is vaker het geval als u al eerder zwanger bent geweest. De weeën tijdens deze fase zorgen ervoor dat de baarmoederhals inkort, gaat ‘verstrijken’ of dunner wordt en de baarmoedermond begint te ontsluiten. De weeën zijn nog niet erg pijnlijk en meestal hoeft u uw activiteiten er niet voor te onderbreken: overdag gaat u zoveel mogelijk door met uw dagelijkse bezigheden (tenzij de verloskundige of gynaecoloog u anders geïnstrueerd heeft) en ’s nachts probeert u verder te slapen of in ieder geval te rusten. Het tijdsbeloop van deze fase verschilt van vrouw tot vrouw. Bij sommige vrouwen wil deze fase niet goed overgaan in de volgende fase. Dit zorgt ervoor dat u soms al erg moe kunt zijn voordat de actieve fase aanbreekt. Deze aanloop naar de actieve fase kan 0-24uur duren. Als de verloskundige dit signaleert zal ze samen met jullie dit bespreken en kijken of er een ander beleid kan worden opgesteld. De conditie van moeder en kind staan namelijk voorop tijdens de bevalling. Normaal gesproken nemen de weeën in kracht en duur toe en gaat deze over in de…

2. Actieve fase

Dit is de periode vanaf 3-4 centimeter tot en met 9 centimeter ontsluiting, met steeds heviger wordende, regelmatige weeën. Als de vliezen nog niet gebroken zijn, doen ze dat meestal spontaan tijdens deze fase. Zodra dit gebeurd is, gaat het hoofdje van uw baby rechtstreeks tegen de baarmoedermond drukken, wat de ontsluiting meestal versnelt.
De weeën worden tijdens deze fase gevoeliger en je moet je er helemaal op concentreren. U kunt het best datgene doen waar u zich goed bij voelt. Steeds wisselende houdingen om de weeën op te vangen, regelmatig toiletteren, de warmte van een bad of douche en de steun en aanmoediging van de aanwezigen, helpen vaak de ontsluiting te bevorderen.

3. Overgansfase

Dit is een fase tijdens de bevalling, die meestal niet als afzonderlijke fase genoemd wordt. Wij doen dit wel, omdat dit een moment is dat veel vrouwen als het moeilijkste moment van de bevalling ervaren. Het is de fase van 9 centimeter ontsluiting tot volledige ontsluiting. De weeën zijn nu zo hevig dat u vaak al wat persdrang hebt. Maar meestal mag u nog niet persen omdat de ontsluiting nog niet helemaal volledig is.
U moet de weeën nog even proberen weg te zuchten, wat makkelijker gezegd is dan gedaan. Soms moet u in deze periode ook overgeven. Dit is het moment waarop u soms denkt dat u niet meer kan. Het wordt ook wel eens de wanhoop-fase genoemd. Het einde is gelukkig in zicht met het begin van de volgende fase: de uitdrijving.

4. De uitdrijving

Deze fase begint als de ontsluiting volledig is en eindigt met de geboorte van jullie baby. Pas als u volledige ontsluiting hebt, mag u starten met zelf actief meepersen, ook als u voordien al persdrang voelt. Andersom kan het ook voorkomen dat u volledige ontsluiting hebt, maar nog geen aandrang hebt om te persen. In dit geval heeft het de voorkeur te wachten met persen tot u die persdrang wel hebt, tenzij de verloskundige of gynaecoloog anders beslist. Er zijn allerlei verschillende houdingen die u aan kunt nemen om te persen.

Misschien heeft u wensen ten aanzien van de geboorte zoals op bed, op de baarkruk of in bad. Geeft u dit gerust aan bij uw verloskundige tijdens het spreekuur of tijdens de bevalling. Realiseert u zich wel dat het soms nodig is om hier van af te wijken omdat het om medische redenen op dat moment niet kan, waarin meerdere redenen een rol kunnen spelen. We zoeken samen naar een eventuele andere houding.De geschiktheid van een houding hangt af van verschillende factoren, waaronder de ligging en de conditie van jullie baby.

Als dit uw eerste bevalling is, kan u tijdens het persen het gevoel hebben dat er nauwelijks schot in de zaak zit: steeds als u denkt dat uw baby wat verder naar beneden is gekomen, schiet hij weer een stukje terug. Oorzaak is dat deze baby de weg nog moet ‘vrijmaken’ en langzaamaan de weefsels oprekt.

Als u al eerder bent bevallen, verloopt de uitdrijving meestal een stuk sneller. Na een tijdje persen verschijnt er in de vagina een donkere, natte welving die bij elke wee wat groter wordt. Het is het achterhoofdje van je baby. Daarna volgen het voorhoofdje, neusje en kin. Om geboren te worden maakt hij een schroefvormige beweging. Als zijn hoofdje is geboren, draait hij iets terug zodat zijn schouders in de gemakkelijkste stand komen. Dat is de uitwendige spildraai.

De rest van zijn lichaampje volgt daarna meestal vlot. Als de baby geboren is, wordt gecontroleerd of hij of zij goed functioneert buiten de baarmoeder. Als hulpmiddel gebruikt men de Apgarscore, die 5 controlepunten bevat: ademhaling, hartslag, kleur, spierspanning en reacties. Op elk punt kan de baby maximaal 2 punten scoren; in totaal kan hij er dus maximaal 10 krijgen.

De verloskundige of gynaecoloog voert deze controle ongemerkt uit, terwijl u de baby vasthoudt. Na de geboorte van de baby wordt zijn navelstreng doorgeknipt . Van dit afnavelen voelt u, noch de baby iets. Op de navelstreng worden 2 klemmen gezet, waartussen die wordt doorgeknipt. U of uw partner mogen dit gerust zelf doen.

5. Het nageboortetijdperk

In deze periode, nadat de baby geboren is, moeten de placenta (moederkoek) en vliezen tezamen, ook wel nageboorte genoemd, nog geboren worden. Meestal voelt u nog een paar weeën, die ervoor zorgen dat de baarmoeder samentrekt en verkleint. Hierdoor komt de placenta van de baarmoederwand los en voor de baarmoedermond te liggen. U moet dan nog een paar keer meepersen om de nageboorte uit te drijven. Deze wordt dan goed nagekeken.

Het is belangrijk dat de placenta en vliezen volledig zijn en er geen stukje in de baarmoeder is achtergebleven. Als u gehecht moet worden, omdat er een scheurtje is ontstaan of als u ingeknipt bent, zal dit meestal direct na de geboorte van de placenta gebeuren. We hebben er bewust voor gekozen om geen tijdsduren te vermelden bij elke afzonderlijke fase, omdat dit van vrouw tot vrouw en van bevalling tot bevalling erg kan verschillen. Het kan ook anders.

Elke bevalling is verschillend en uniek; er bestaat geen standaardscenario. Al voordat de bevalling is begonnen, maar ook tijdens elke afzonderlijke fase, kunnen er redenen zijn om in het ziekenhuis te bevallen of naar het ziekenhuis te gaan om u daar verder te helpen met behulp van medische kennis en technieken die op dat moment nodig zijn.. Uiteindelijk willen alle mensen die u helpen tijdens uw bevalling hetzelfde: zo veilig mogelijk werken met als hoofddoel een gezonde moeder met een gezonde baby.